Vragen stellen met inversie , vraagwoorden, hoe+adjectief, waar + voorzetsel
inversie
Lees je een boek ?
Ja, ik lees een boek
Ken je deze man ?
Nee, ik ken hem niet
voorbeelden in context
vraagwoorden
Wie loopt daar ? Mijn vader loopt daar.
Waarom loopt hij zo snel ? Hij loopt zo snel omdat hij te laat is voor het werk
Waar werkt hij ? Hij werkt in Brussel
Hoe gaat hij naar huis ? Hij gaat naar huis met de trein
Welke trein neemt hij ? Hij neemt de trein naar Gent
Wat doet hij op de trein ? Hij leest een boek op de trein
Welk boek leest hij? Hij leest een boek over Egypte.
Wanneer komt hij thuis ? Hij komt thuis om 6u.
voorbeelden in context
hoe + adjectief
Hoeveel kost een ticket naar Parijs ? Een ticket kost 23 euro.
voorbeelden in context
Hoe ver is Parijs vanuit Brussel ? Vanuit Brussel is Parijs 15 km.
voorbeelden in context
Hoelang duurt de rit ? De rit duurt 2 uur.
Hoe laat vertrekt de trein? De trein vertrekt om 17u30.
waar + voorzetsel
Waaraan denk je ?
Ik denk
aan mijn broer
Waarin ben je goed ?
Ik ben goed
in rekenen.
Waarmee kan je hem een plezier doen ?
Je kan hem plezier doen
met een boek.
naar waar ... ? - waar ... naartoe? - waar ... heen?
Naar waar gaan we? We gaan
naar Brussel.
=
Waar gaan we
naartoe? We gaan
naar Brussel.
=
Waar gaan we
heen? We gaan
naar Brussel.
voorbeelden in context