Ik ga ... Spanje.
Waar ga je ...?
Waar kom je ...?
NAAR
Naar is een voorzetsel. Je plaatste het voor een doel, een eindbestemming van een beweging:
Ik ga
naar school
Ik vertrek
naar Frankrijk
Ik loop
naar het perron.
Je gebruikt het ook bij "luisteren naar", "kijken naar"...:
Ik luister
naar de radio.
Ik kijk
naar het schilderij.
voorbeelden van "naar" in context
WAAR ...
NAARTOE
Naartoe is eigenlijk een onderdeel van
het vragend voornaamwoord waarnaartoe. Je gebruik het als je
een vraag stelt over een bestemming of een doel van een beweging. Meestal worden de twee delen van het voornaamwoord gescheiden door andere zinsdelen:
Waar gaan we
naartoe?
Waar loop je
naartoe?
voorbeelden van "naartoe" in context
WAAR...
VANDAAN
Vandaan is eigenlijk een onderdeel van
het vragend voornaamwoord waarvandaan.
Je gebruikt het als je
een vraag stelt over de oorsprong of het vertrekpunt van een beweging.
Meestal worden de twee delen van het voornaamwoord gescheiden door andere zinsdelen:
Waar kom je
vandaan?
Waar... vandaan wordt ook veel gebruikt om te vragen naar de herkomst, de oorsprong van een object:
Waar komt die jas
vandaan?
voorbeelden van "vandaan" in context