Liggen is een
positiewerkwoord om een
voorwerp met een horizontale positie te beschrijven.
Het boek
ligt op de tafel.
De bal
ligt in de tuin.
Een persoon kan natuurlijk ook ergens
liggen.
Hij
ligt de hele dag in zijn bed.
Hij
ligt geblesseerd op de grond.
Ook om een
geografische situatie te beschrijven, gebruiken we
liggen.
Brussel
ligt in het centrum van Belgiƫ.
Italiƫ
ligt aan de Middellandse zee.
In
uitdrukkingen komt het woord
liggen ook wel eens voor:
Het
ligt aan: beschrijft een
oorzaak (Het
ligt aan je studiemethode dat je lage punten haalt)
Het
ligt zwaar op de maag: het is moeilijk te verteren, letterlijk of figuurlijk.
De storm is gaan liggen: ook figuurlijk gebruikt, om het einde van commotie of heisa uit te drukken.
Het
ligt voor de hand: het is logisch, het spreekt voor zich.
voorbeelden van "liggen" in context via google
De
actie om het voorwerp in de positie van liggen te brengen druk je uit met het werkwoord
leggen:
Ik
leg het boek op de tafel.
Leg de eieren voorzichtig in het mandje.
De lat hoog leggen betekent: een hoge kwaliteitsnorm nastreven.
Iemand
in de luren leggen is iemand beetnemen, iemand bedriegen.
Iemand
in de watten leggen is iemand verwennen.
voorbeelden van "leggen" in context via google
Andere positiewerkwoorden:
hangen,
zitten en steken,
staan en zetten.