uitgebreid zoeken

 woensdag, 8 februari 2012

TAALB(L)AD
e-zine
woordleer
zinsbouw
  Woordvolgorde   Hoofdzin + ....   Relatieve zinnen   Met infinitief   Het perfectum   Het passief   Er   De Negatie   Vragen stellen   Separabel verbum   Reflexief verbum   Taalknoop   Expressies   Positiewerkwoorden woordspel
links
luisteren
Start Beeldverhaal

minitest
flyers & affiches

vzw de Rand
Taaluniecentrum NVT

TAALBLAD.BE op Facebook RSS feed
 Taalblad Google Gadgets
 Creative Commons License
Ga naar oefening

Maken of doen?

We maken altijd veel plezier.                                                        
Ik doe elke dag de afwas.

Maken


1. bij maken realiseer je iets, je fabriceert of creëert iets wat er eerst niet was.

        De buren maken altijd veel lawaai.
        We zullen samen je cv maken.
         Ze maken nooit ruzie.
         Hij heeft een afspraak bij de tandarts gemaakt.
         Mijn ouders maken te vaak ruzie.

In deze betekenis is ‘maken’ creatiever en actiever dan het globale ‘doen’. Bovendien is ‘maken’ preciezer en concreter.
Vergelijk:
          Hij doet zijn werk goed. (globaal, algemeen).
          Hij maakt duidelijke verslagen (precies, concreet).

2. iets of iemand in een bepaalde staat/toestand brengen.
    Die staat/toestand wordt meestal aangeduid door een adverbium (= een adjectief zonder substantief).
         Je bezoekje zal opa blij maken.
         Geld maakt niet gelukkig.
         Ze houdt niet van sport want ze maakt zich niet graag moe.
         Kan je de vuilbak leeg maken?
         Zijn overleden echtgenote maakte hem heel gelukkig.
         Kan je mij om 7 uur wakker maken?

3. herstellen
         De lamp is kapot. Kan jij ze maken?
         Ik hoop dat de garagist mijn auto kan maken.


Doen


1. veroorzaken
- meestal in combinatie met een substantief
         Haar ex-man heeft haar veel verdriet gedaan.
         Het doet deugd om je stem te horen.
         De ingreep zal niet veel pijn doen.


- in combinatie met een infinitief : ervoor zorgen dat iemand iets doet, dat iets gebeurt
         De zon deed de temperatuur snel stijgen.
         Je woorden doen mij twijfelen.
         Jouw broer doet mij altijd lachen.
         De medicatie heeft de kankercellen doen afsterven.


2. actief zijn, iets uitvoeren, iets ondernemen, bezig zijn (meestal in algemene betekenis, zonder precies of concreet te zijn)

         Hij doet zijn job heel graag.
         
De vertegenwoordiger doet graag zaken met Japan.
         Wat ga je volgend weekend doen?
         Wil je het venster open doen?

3. zich gedragen (vaak ook in combinatie met een adverbium)
         
Ze doet nogal afstandelijk tegen ons.
         Doe niet zo vervelend!
         De kinderen doen alsof ze in een kasteel rondlopen.

4. ergens plaatsen
         
Mijn collega doet nooit melk in haar koffie.
         Doe de suiker bij de bloem en meng goed.

5.als herhaling van een eerder genoemd werkwoord
         
Heb je de hemden gestreken? Nee, dat moet ik morgen nog doen.


Uitdrukkingen.


Soms komt er bij de toepassing van de regels best wat inventiviteit kijken. (bijvoorbeeld: zich zorgen ‘maken’ want je ‘fabriceert’ zorgen)
Toch valt niet alles met deze regels te verklaren.
(bijvoorbeeld: een suggestie ‘doen’, je creëert eigenlijk een suggestie maar toch gebruik je ‘doen’)
Er zijn nu eenmaal uitdrukkingen en zegswijzen die geen enkele regel of logica volgen.
         Wat zal het zijn? Doe mij maar een pintje.
         Hij doet er een uur over om ‘s morgens tot in Brussel te geraken. //v
stuur door
Ga naar oefening

« vorige Maken of doen? volgende »
19-10-2008 Maken of doen?
19-10-2008 Maken of doen?
>>  19-10-2008 Maken of doen?
19-10-2008 Op of om?
18-10-2008 Uit of buiten?

 De boetiek van taalblad.be

In onze boetiek vind je grammaticaboeken en ander materiaal om zelf Nederlands te leren.

Naar de boetiek

De boetiek van taalblad.be

Nieuw in de boetiek: Rundskop, Nederlandstalige film, genomineerd voor een Oscar.


Lees meer

Zoeken - Disclaimer - Contact - Over Taalblad - Sitemap - Colofon