De auto staat
binnen.
De auto staat
in de garage.
Zowel ‘in’ als ‘binnen’ kan je gebruiken om een locatie weer te geven:
IN
‘
In’ is een prepositie. Wanneer je een plaats wil aanduiden, moet je ‘
in’ combineren met andere woorden.
| | |
| | De zonnecrème zit in mijn rugzak. |
|---|
| | De besprekingen gaan door in het nieuwe gebouw. |
|---|
'in' in context
BINNEN
‘
Binnen’ is een bijwoord. Je hebt geen andere woorden nodig om de plaats aan te duiden.
| | |
| | Binnen mag er niet gerookt worden. |
|---|
| | Het is koud. We gaan snel naar binnen. |
|---|
'binnen' in context