Ik ga nu naar
huis.
Ik ben al
thuis.
HUIS
‘
Huis’ gebruik je voor het gebouw waar iemand woont. Je kan het ook in het meervoud gebruiken.
| | |
| | Een eskimo woont in een huis van ijs. |
|---|
| | De huizen zijn erg duur geworden. |
|---|
In combinatie met een prepositie gebruik je bijna altijd het woordje ‘huis’.
| | |
| | Om hoe laat kom je naar huis? |
|---|
| | Hij werkt ver van huis. |
|---|
THUIS
‘
Thuis’ is een adverbium van plaats, het is de plaats waar iemand woont.
| | |
| | Ik ben al thuis. |
|---|
| | De vluchtelingen hebben geen thuis. |
|---|
EXTRA:
In het gesproken Nederlands kan je ‘thuis’ gebruiken in combinatie met de preposities ‘bij’ of ‘naar’ en een pronomen possessivum of een naam.
| | |
| | We rijden eerst naar ons thuis om iets anders aan te doen. |
|---|
| | Bij Katrien thuis wordt er veel gelachen. |
|---|
voorbeelden van 'huis' en 'thuis' in context