Hij heeft zijn vrouw
geslagen.
Ik ben
geslaagd voor het examen.
SLAAN -> GESLAGEN
Geslagen is het participium van '
slaan'. ‘
Slaan’ gebruik je in de betekenis van iemand
pijn doen of iets proberen te raken. ‘
Slaan’ is een onregelmatig werkwoord:
• imperfectum: sloeg – sloegen
• participium:
geslagen
| | |
| | Hij heeft zijn vrouw geslagen. |
|---|
| | De jongen heeft zijn zusje geslagen. |
|---|
voorbeelden van 'geslagen' in context
SLAGEN -> GESLAAGD
‘Geslaagd’ is het participium van '
slagen'.
Slagen’ gebruik je in de betekenis van 'succes hebben'. ‘
Slagen’ is een regelmatig werkwoord:
• imperfectum: slaagde – slaagden
• participium:
geslaagd
| | |
| | We zijn niet geslaagd voor de praktische test. |
|---|
| | BP is er nog niet in geslaagd om het lek in de olieleiding te dichten |
|---|
voorbeelden van 'geslaagd' in context