een, veel, enkele <> geen
Ik heb
een TV. <>Ik heb
geen TV.
Ik wil koffie.<> Ik wil
geen koffie.
Ik heb
veel geld. <>Ik heb
geen geld.
Ik heb
enkele vragen. <>Ik heb
geen vragen.
voorbeelden in context
wel <> niet
Ik kijk
wel naar TV. Ik kijk
niet naar TV.
Ik ga naar school vandaag. Ik ga
niet naar school vandaag.
voorbeelden in context
soms, ooit, vaak, altijd <> nooit
Ik vergeet
soms mijn sleutels.<> Ik vergeet
nooit mijn sleutels.
Ik neem
altijd de trein. <> Ik neem
nooit de trein.
Ik woonde
ooit in Braziliƫ. <> Ik woonde
nooit in Braziliƫ.
voorbeelden in context
iets, alles <> niets
Ik heb
iets gezien. <> Ik heb
niets gezien.
Ik vergeet
alles. <> ik vergeet
niets.
voorbeelden in context
iemand, iedereen <> niemand
Iemand moet me helpen. <>
Niemand moet me helpen.
Iedereen weet hoe oud hij is. <>
Niemand weet hoe oud hij is.
voorbeelden in context
ergens, overal <> nergens
Hij is
overal welkom. <> Hij is
nergens welkom.
Ik heb hem
ergens gezien. <> Ik heb hem
nergens gezien.
voorbeelden in context
al <> nog niet
Ik heb de afwas
al gedaan. <> Ik heb de afwas
nog niet gedaan.
Ik heb de film
al gezien. <> Ik heb de film
nog niet gezien.
voorbeelden in context
al <> nog geen
Ik heb
al twee kinderen. <> Ik heb
nog geen kinderen.
Ik heb
al twee boten gezien. <> Ik heb
nog geen boten gezien.
voorbeelden in context
al <> nog nooit
Ik ben
al twee keer in Afrika geweest. <> Ik ben
nog nooit in Afrika geweest.
Ik heb
al dikwijls gevlogen. <> Ik heb
nog nooit gevlogen.
voorbeelden in context
nog <> niet meer
Hij slaapt
nog. <> Hij slaapt
niet meer.
Ik weet het
nog goed. <> Ik weet het
niet meer.
voorbeelden in context
nog <> geen meer
Er zitten
nog koekjes in de doos. <> Er zitten
geen koekjes
meer in de doos.
Er zijn
nog twee kaartjes voor het concert te koop. <> Er zijn
geen ticketjes voor het concert
meer.
voorbeelden in context