Ik woon
boven een café.
Ik zit
op een terras in de stad.
BOVEN
‘
Boven’ kan zowel een
adverbium als een
prepositie zijn. ‘
Boven’ betekent in beide gevallen ‘
op een hoger gelegen plaats’.
Wanneer je ‘
boven’ als adverbium gebruikt, heb je
geen extra woorden nodig om de plaats aan te duiden.
| | |
| | De bejaarde man slaapt niet langer boven. |
|---|
| | Breng je de propere was even naar boven? |
|---|
Wanneer je ‘
boven’
als prepositie gebruikt, moet je het combineren met
extra informatie over de locatie. ‘
Boven’ betekent dat er
géén contact is tussen de dingen waarover je spreekt.
| | |
| | Wat hangt er boven jouw voordeur? |
|---|
| | Er hangen donkere wolken boven Brussel. |
|---|
voorbeelden van 'boven' in context
OP
‘
Op’ is een prepositie. Om een plaats aan te duiden, combineer je ‘op’
met andere woorden.
Bij ‘op’ is er
wél sprake van
contact tussen de dingen waarover je spreekt.
| | |
| | De hond ligt met zijn snuit op mijn been. |
|---|
| | De bloempot staat op de vensterbank. |
|---|
voorbeelden van 'op' in context