Staan is een
positiewerkwoord om een
voorwerp met een verticale positie te beschrijven.
De lamp
staat op de tafel.
Het huis
staat naast het water.
Teksten en beelden staan ook in een boek of op een bord.
De theorie
staat in het eerste deel van het boek.
De instructies
staan op de affiche aan de muur.
Een persoon kan natuurlijk ook ergens
staan.
Hij
staat achteraan in de rij.
Ik
sta aan de ingang van het station.
voorbeelden van "staan" in context via google
De
actie om het voorwerp in die positie te brengen druk je uit met het werkwoord
zetten:
Ik
zet de lamp op de tafel.
Zetten komt ook vaak voor in uitdrukkingen:
Alles op een rijtje zetten: een samenvatting maken.
Iets of iemand in de bloemetjes zetten: iemand vieren, bijvoorbeeld bij een verjaardag of een speciale prestatie.
De bloemetjes buiten zetten: een feestje bouwen.
Iets of iemand in beweging zetten: iemand tot actie aansporen.
Iets op touw zetten: iets organiseren.
Een punt zetten achter iets: iets definitief beƫindigen.
Een stap opzij zetten: plaats maken voor iemand anders in een organisatie.
voorbeelden van "zetten" in context via google
Andere positiewerkwoorden:
hangen,
liggen en leggen,
zitten en steken.