Een adverbium of bijwoord staat bij een
adjectief, een
verbum, of een ander adverbium. Het kan ook bij een volledige zin horen.
Bijwoorden zijn belangrijke woorden, waarmee je heel veel kan uitdrukken:
tijd (wanneer?)
eergisteren,
gisteren,
vandaag,
morgen,
overmorgen,
onlangs,
dadelijk,
meteen,
onmiddellijk,
nu,
straks,
...
frequentie (hoe vaak?)
dagelijks,
dikwijls,
geregeld,
soms,
nooit,
vaak,
zelden,
...
plaats (waar?)
er,
ergens,
hier,
nergens,
overal,
...
modaliteit (hoe?):
allerlei,
alsnog,
althans,
alvast,
alweer,
amper,
blijkbaar,
bovendien,
dankzij,
daarentegen,
desnoods,
echter,
graag,
inderdaad,
intussen,
integendeel,
indien,
immers,
maar,
misschien,
minstens,
namelijk,
nauwelijks,
nochtans,
nogal,
nogmaals,
ondanks,
opnieuw,
plots,
toch,
uiteraard,
tevergeefs,
trouwens,
tussendoor,
ongetwijfeld,
uitermate,
voortaan,
waarschijnlijk,
zeer
zelfs,
...
Adjectief als adverbium
soms worden adjectieven gebruikt als bijwoord (zie:
vorm van het adjectief als het als bijwoord wordt gebruikt].
Ik ben
trots op mijn prestaties.
Ik loop heel
snel naar de winkel.
voorbeelden in context