Hangen is een
positiewerkwoord om de positie van een voorwerp te beschrijven dat bovenaan of zijdelings vastgemaakt is.
Mijn jas
hangt aan de kapstok.
Het schilderij
hangt aan de muur.
Een
persoon die ergens
hangt, bevindt zich meestal in een weinig comfortabele positie of bevindt zich ergens passief en doelloos.
De bergbeklimmer is gevallen en
hangt nu aan zijn veiligheidstouw.
We
hangen maar wat rond in de winkel.
Er zijn een aantal veel gebruikte
uitdrukkingen met
hangen:
Het
hangt me de keel uit: ik ben het beu.
Iets dat
aan een zijden draadje hangt, is iets dat een onzekere toekomst kent (het voortbestaan van de club hangt aan een zijden draadje).
Iets dat
in de lucht hangt, betekent dat alles erop lijkt dat iets gaat gebeuren (er hangt onweer in de lucht, er hangt een ruzie in de lucht, er hangt romantiek in de lucht).
De
actie om het voorwerp in die positie te brengen druk je ook uit met het werkwoord
hangen:
Hij
hangt zijn jas aan de kapstok.
voorbeelden van "hangen" in context via google
Andere positiewerkwoorden:
liggen en leggen,
zitten en steken,
staan en zetten.